“Tachtig jaar geleden werd ik geboren. Op 12 september 1891, in de
Willemstraat in Rotterdam. De Willemstraat was de eerste dwarsstraat aan de
Goudsesingel rechts, gerekend vanaf de Boezemsingel en het Oostplein.
Eénendertig jaar later (in 1922) verhuisde ik met mijn gezin vanuit Rotterdam
naar Slikkeveer en kwam te wonen in….de Willemstraat. Typisch! “
Met deze alinea begint mijn opa, Jan Bastiaan van Rongen, de vader van mijn moeder, vanaf 1971 zijn levensherinneringen aan het papier toe te vertrouwen.
Ik heb een sterke emotionele band met mijn opa omdat ik dezelfde voornamen draag. Samen met nog een paar nazaten van hem maar daarom is de band niet minder sterk.
Even later lees ik: “Men was vroeger meer vakman. De verf werd in droge poedervorm in de winkel gehaald, soms zelfs in piramidevormige korrels, en gemalen met gekookte of rauwe lijnolie, soms aangevuld met terpentijn (geen terpentine) en wat siccatief voor de droging. Maar men had dan nog geen lak. Men had verf. Was het te verven object klaar dan moest het nog gevernist worden, want het was te dof.”
De armoede van het schildersvak heeft diepe indruk gemaakt in de familie en pas wanneer in 1992 Jan Bastiaan Burema, nazaat van Leendert van Rongen, besluit zijn eigen schildersbedrijf te beginnen, wordt het duidelijk dat er iets van terpentijn in de genen is doorgegeven.
