Het was in 2017 de start van het grootste restauratieproject uit de geschiedenis van Het Drentse Landschap: het in ere herstellen van het huis en het landgoed Oldengaerde in Dwingeloo. Een landhuis waarvan de voorgevel waarschijnlijk uit het midden van de zeventiende eeuw stamt, ook al staat er ‘anno 1717’ op. Aangemerkt als een van de pareltjes van Dwingeloo mag het volgens een artikel in het Dagblad van het Noorden niet ontbreken als decor voor The Passion, die volgend jaar in het Drentse dorp plaatsvindt.
Bruinrot
Oldengaerde is in elk geval geen onbekend terrein voor de schilders Theo Bruinenberg, Ruud Goeree en Martin Kruyswijk van Sommer Schilderwerken. Deze ‘monumentale’ ploeg schilderde in 2023 de voorgevel van het pand en was vorig jaar september opnieuw van de partij om de grote kozijnen in de achtergevel voor te behandelen. Toen werd ook een grondige houtrotinventarisatie uitgevoerd.
De grote verrassingen zijn er nu dan ook wel uit, volgens teamleider Bruinenberg. ‘Het meeste houtrot zat in de boeien en in de onderkant van de oranjerie. Dat is de timmerman nog aan het herstellen. We hadden de oranjerie al wel geschilderd op het onderste deel na, maar omdat er bruinrot in zit haalt de timmerman er toch wat meer uit.’

Hechtingsbelang
De overige reparaties zijn over het algemeen kleiner en voeren de schilders zelf uit. ‘We doen dat met Renovaid. In dit geval was er in het verftechnisch advies geen specifiek middel voorgeschreven en konden we dus zelf kiezen.’
Dat specifieke advies is afkomstig van Herfst en Helder. De keuze van opdrachtgever stichting Het Drentse Landschap, vertelt Sommer projectleider Anjo van der Weide. Voor de schilders maakt het niet uit dat ze nu met verf van dit merk werken, haakt Bruinenberg aan. ‘We hebben met zo veel merken geschilderd. Niet vaak met Herfst en Helder trouwens. Het valt me wel op dat deze verf ook bij lagere temperaturen goed te verwerken blijft. Het zet snel aan zoals je bij monumenten wilt, waardoor de kwaststrepen goed zichtbaar blijven.’
Het belangrijkste aandachtspunt in het verfadvies is volgens hem de hechting op de dikke lagen verf die er op het pand zitten. ‘Dat is ook de reden om machinaal te schuren. Je hebt veel slagen in het bestaande werk zitten. Als je met de hand schuurt, schuur je in feite alleen de toppen weg. Met machinaal schuren heb je een groter hechtingsoppervlak.’
Hetzelfde geldt voor de steenachtige delen die moeten worden geschilderd, zoals de vensterbanken en het metselwerk in de plint. Opvallend genoeg is daarvoor een synthetische muurverf voorgeschreven. ‘Eveneens een keuze van opdrachtgever en verfleverancier’, verduidelijkt Van der Weide. Dampdoorlatendheid speelt hier overigens minder een rol, want die is door de vele lagen verf toch al verdwenen.

Wat wel, wat niet
Interessant bij deze projecten is vooral wat je wel en niet doet en binnen welke tijd, geven beide heren aan. Van der Weide: ‘Ik heb zelf het ERM-rapport opgesteld aan de hand van de gezamenlijke inspectie. Daarna ga je met elkaar in overleg over de werkzaamheden en de kosten, en maak je keuzes.’ Het betekent dat de schilders een indicatie meekrijgen van de tijd die ergens voor gerekend is en van de aanpak. Het is niet de bedoeling om alles totaal strak te maken. Dat past niet in het budget, maar vooral ook niet bij de uitstraling die een monument hoort te hebben.
Niettemin moet het werk kwalitatief uiteraard goed zijn. Daarbij willen Van der Weide en de uitvoerende schilders trots naar dit soort panden kunnen kijken en genieten zij ervan om die weer een mooie uitstraling te geven. Over zes jaar moet het er nog perfect bij staan, geeft Bruinenberg aan. ‘Dat er een keer een randje stopverf open gaat staan, voorkom je niet. Maar waar we nieuwe stopverf aanbrengen, gronden we eerst het onderliggende hout. Daardoor is het veel minder gevoelig voor vocht.’
Alle behandelingen legt hij zorgvuldig vast in verslagen. ‘Elk kozijn heeft een merk en van elk merk worden de diverse behandelingen vastgelegd, compleet met foto’s en begeleidende teksten. De opdrachtgever weet zo precies wat we gedaan hebben. Zelfs hoeveel stopverf we hebben vervangen.’

Hoogwerker troef
Een belangrijk aandachtspunt bij dit soort panden is de bereikbaarheid van alle onderdelen. Daarvoor worden twee hoogwerkers ingezet. Bruinenberg: ‘Bij de achtergevel was dat nodig voor de dakkapel. Het liefst werken we vanaf een steiger, maar de trap van het bordes met de ronde buxussen ernaast liet geen ruimte voor een rolsteiger. Een steigerbouwer laten komen, zoals we normaal gesproken doen, is geen optie: hij mag zijn steiger niet in de muren verankeren. Dus is een hoogwerker de beste oplossing, alhoewel het nog best lastig is om overal bij te komen terwijl je met je bakje toch voldoende afstand houdt van de dakpannen.’
Voor de zijgevel heeft hij een nog grotere hoogwerker ter beschikking. ‘Daar moet je over een lager dak heen reiken naar de goten en boeien. Dan kom je wel op een afstand van pakweg 15 meter.’ Maar Bruinenberg en zijn ploeg zijn het gewend en draaien hun hand daar niet voor om. ‘Dat elk pand anders is en zijn eigen benadering vraagt, maakt het juist zo leuk.’

Meer lezen over houtrot en houtrotreparaties?
