Waren jullie verrast met de uitverkiezing tot beste leerbedrijf?
Jan Noom: ‘Je gaat naar die verkiezing toe met het gevoel dat het weleens zo zou kunnen zijn. Maar als ik keek naar een andere genomineerde, Palet Vastgoedonderhoud, die zat er wel heel dichtbij hoor. Je weet ook nooit precies waar een jury op let. Maar natuurlijk hoopte ik dat onze investeringen in opleiden zouden worden beloond.’
Is Cees soms het grote geheim? Hij werd in coronatijd al bekroond tot beste leermeester.
Cees Koopman, lachend: ‘Dat geloof ik niet, we doen met z’n allen keihard ons best. Alle leermeesters, in totaal vijf, dragen hun steentje bij.’
Noom: ‘Cees is wel het verlengstuk vanuit kantoor naar de leerlingenselectie. Wie past hier, hoe zit zo’n jongen in elkaar? Dat zit hem heel erg in het sociale stuk, wat hem ook leermeester van het jaar heeft gemaakt. Hij kijkt verder dan alleen die hand die met een kwast op en neer gaat; er zit veel meer achter een mens en Cees prikt daar vrij makkelijk doorheen.’
Kun je daar een voorbeeld van geven?
Koopman: ‘We proberen leerlingen altijd extra kansen te geven. Bijvoorbeeld jongens en meiden die thuis problemen hebben, wat altijd doorwerkt op de werkvloer. Of neem een zij-instromer, iemand die van elektricien schilder probeert te worden. Die kan er een heel andere manier van denken en werken op nahouden, heel dwars in zijn systeem zitten. Dat is frustrerend voor de leermeester en andere leerlingen, dus moet je het gesprek aangaan. Niet: laat hem maar wat doen en dan gaat hij vanzelf wel weg. Dat wil je voorkomen. Je wilt schilders aantrekken met dezelfde passie en mensen daarin helpen.’
Over zij-instromers gesproken: dat aspect werd geroemd door de jury.
Noom: ‘Een jaar of twee geleden kwam hier iemand binnen die altijd schipper was geweest. 32 jaar oud. Hij had weleens een kwast vastgehad op het schip, maar dat verschilt nogal met een woning schilderen. Met hem hadden we een klik, dat is het belangrijkste en daar borduren we op voort. We zijn nu twee jaar verder en hij is een redelijk volwaardige schilder geworden. Zij-instromers volgen wel een tweejarige avondopleiding, om hun theoretische kennis op peil te krijgen. Dat is een investering die zíj moeten doen. Want je kunt wel van alles binnentrekken als bedrijf, de kwaliteit mag niet ten onder gaan.’
Jullie beginnen al heel vroeg met scouten, onder meer op mavo’s. Is dat niet wat overdreven?
Noom: ‘Helemaal niet. Leerlingen enthousiasmeren begint zelfs al op de basisschool, daar ligt een taak voor ons. Niemand in deze branche kan het zich nog permitteren om te zeggen: “We kijken wel wat er bij ons binnenkomt.” Nee, we moeten actief verbinding zoeken met scholen in de regio. Zo hadden we eens twee bussen vol mavoleerlingen op bezoek, die een dagje kwamen kijken. Twee van hen zijn toch blijven hangen.’
De leerlingen van Noom komen logischerwijs veelal uit Zeeland; wat typeert hun mentaliteit?
Koopman: ‘Klopt, we betrekken ze vooral van de Schildersvakopleiding in Goes. Je merkt dat die jongens een mindset hebben van: Ik wil werken, knaken verdienen.’
Noom: ‘Het arbeidsethos is goed in het Zeeuwse. Met je handen werken, de voeten in de klei, zes dagen per week; dat zit er gewoon in. Ouders geven dat hun kinderen mee, vanuit de van oudsher grote agrarische sector in deze provincie. Soms moet je bij leerlingen eerst normen en waarden bijschaven, maar als er bij ons eentje binnenkomt, zit dat vaak al op een redelijk goed niveau. Je kunt snel door naar het praktische stuk.’
Koopman: ‘Ik denk dat je zo’n mentaliteit ook ziet in regio’s als de Flevopolder, Groningen en de Achterhoek.’
Heb je zelf altijd bij Noom gewerkt, Cees?
Koopman: ‘Ik ben hier als leerling begonnen en nooit weggegaan. Het was toen al een fijn bedrijf, ik was de zesde die erbij kwam, terwijl er nu 55 mensen werken. Ook voor mij was de overgang van school naar werken best groot, dat is nu eenmaal zo op die leeftijd. Dat probeer ik jongens nu ook bij te brengen: werk kan niet altijd leuk zijn of snel klaar, soms is het langdradig. Goede energie overbrengen, positieve ideeën, zodat leerlingen willen presteren, daar gaat het om. Een beetje arbeidsvitaminen erin, zodat ze gáán.’
Wat zijn de belangrijkste verschillen met toen?
Koopman: ‘Dat we nu veel meer benadrukken wat leerlingen goed doen in plaats van wat ze fout doen. In het oude systeem werd je afgebrand vanwege een zakkertje of heilige dag. Nu zeggen we: 95 procent van die deur is goed gelakt, maar voortaan moet je daar en daar even op letten. Dat komt heel anders over. Het resultaat is dat je iemand krijgt die initiatief durft te nemen en niet eerst alles vraagt. Zelf nadenkt in plaats van volgt, wat je twintig jaar geleden veel zag. Zo leer je veel sneller. Dat geldt ook voor taken als glaszetten, afkitten en plamuren. Bovendien organiseren we nu teambuildingsdagen, bijvoorbeeld laatst een bootcamp, waarbij ze elkaar over bepaalde hindernissen hielpen, door sloten zwommen en daarna samen uit eten gingen. De resultaten daarvan zijn niet direct meetbaar, maar wij zien dat het een positieve teamspirit geeft.’
Jullie hebben ook een eigen vakschool en één keer per jaar een gezamenlijke vakdag. Hoe zit dat?
Noom: ‘Op onze vakschool scholen we medewerkers in-company bij. Neem bijvoorbeeld bladgoud plakken of houtrot herstellen. Als een groepje van plusminus vijf man dat wil leren, haal ik daarvoor een specialist binnen. Bijvoorbeeld via Nationaal Centrum Erfgoedopleidingen, die op onze voorspraak naar Zeeland is gekomen. De oorspronkelijke gedachte achter de vakschool is dat de kwaliteit en precisie in het bedrijf niet verloren mogen gaan door onze groeiambities. Met zo’n vakschool bewaak je dat. Tijdens de interne vakdag, aan het eind van het jaar, staat het hele bedrijf stil en laat het voltallige personeel zich bijspijkeren in toolboxsessies. Ook dat sluiten we informeel af, met een hapje, drankje en spelmogelijkheden als een pooltafel of Formule 1-simulator.’
Wat leveren al die inspanningen op?
Noom: ‘Weinig verloop. Werkplezier is daarbij essentieel. Als een leerling dat niet heeft, kan hij nooit zijn energie geven en productiviteit halen. Ieder mens heeft talent, daar probeer je op te sturen. De ene schilder wordt het meest gelukkig van monumenten, de ander voelt zich meer thuis in het vastgoedonderhoud. Onze kracht is dat we meerdere disciplines hebben waar we mensen op kwijt kunnen. Alles valt of staat bij het screenen van je medewerkers. Als je iemand goed kent, weet je ook waar diegene de meeste energie uit haalt. Ken je je medewerkers niet goed, dan boks je dat nooit voor elkaar.’

