Een schildersbedrijf werd door een vereniging van eigenaren ingehuurd voor diverse werkzaamheden. Op zijn beurt nam de onderneming een branchegenoot als onderaannemer in de arm om schilderwerkzaamheden uit te voeren voor die vve. Daarvoor spraken ze een totaalprijs van 94.000 euro af, te betalen in negen termijnen.
De achtste en negende factuur werden echter niet betaald door het schildersbedrijf. De onderaannemer zou het schilderwerk niet deugdelijk hebben uitgevoerd. Ook was er geen opleveringsrapport aangeleverd. Omdat de onderaannemer het met deze uitleg en gang van zaken niet eens was, eiste hij bij de rechter betaling van de resterende 14.000 euro. Het schildersbedrijf wilde juist nog ruim 20.000 euro van de onderaannemer hebben, als vergoeding voor geleden schade.
Accepteren of weigeren
De rechtbank in Haarlem zocht op weg naar een uitspraak allereerst antwoord op de volgende vraag: is het werk waarvoor de onderaannemer was ingehuurd opgeleverd? Het werk is ergens in 2023 afgerond, nadat bij een inspectie nog wat verbeterpunten aan de orde waren gekomen. Op dat punt had het schildersbedrijf twee opties: het geleverde werk accepteren of weigeren. Het bedrijf zegt dat laatste te hebben gedaan, maar dat blijkt volgens de rechter nergens uit.
Daarmee is het werk aanvaard, al dan niet stilzwijgend. Dat betekent dat de volledige afgesproken vergoeding van ruim 94.000 euro is verschuldigd en dat de twee niet betaalde facturen alsnog moeten worden voldaan. Dat het werk niet deugdelijk zou zijn uitgevoerd en dat het schildersbedrijf daardoor schade zegt te hebben geleden, verandert daar niets aan.
Niet in gebreke gesteld
De vlieger dat de onderaannemer in verzuim was, gaat volgens de rechter evenmin op. Dat zou namelijk een reden kunnen zijn om de gevraagde schadevergoeding van ruim 20.000 euro toe te kennen. Maar om eventueel vast te kunnen stellen dat iemand in verzuim is, moet diegene eerst in gebreke worden gesteld. En dat heeft het schildersbedrijf ten aanzien van de onderaannemer niet gedaan. De aanname dat deze zijn afspraken niet meer zou nakomen omdat hij tijdelijk in het buitenland was, volstaat niet om te stellen dat hij in verzuim was.
Het schildersbedrijf moet daarom van de kantonrechter de resterende 14.000 euro betalen aan de onderaannemer. Dit bedrag wordt vermeerderd met zo’n drie jaar aan wettelijke handelsrente. Ook de proceskosten van om en nabij de 3.000 euro komen voor rekening van het schildersbedrijf.
