De partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor schilderwerk aan de binnenkant en buitenzijde van een woning. Voor de klus van in totaal 120 uur werd een vergoeding van ruim 5.200 euro afgesproken. De opdrachtgever kocht zelf de verf in, waarbij de schilder input gaf over soorten en merken.
Na enige tijd kregen de partijen onenigheid over de voortgang van het werk, de onderlinge communicatie en de betaling van de wekelijkse facturen. Door de samenwerking ging een streep. De schilder had intussen 89 gewerkte uren in rekening gebracht. Daarvan had de opdracht er 77 betaald, ofwel ruim 3.350 euro. Een laatste factuur van 523 euro was niet betaald
Verschillende gebreken
Een ander bedrijf kreeg de opdracht om het schilderwerk aan de woning af te ronden. Dat bedrijf kwam verschillende gebreken in het werk van de voorganger tegen. Zo liet op zolder de verf bij de kitranden al enkele weken nadat deze was aangebracht los. Op de begane grond binnen was een verf voor buitentoepassing gebruikt. En de vervangende schilder zag nog wel meer gebreken in het werk van zijn voorganger: verf aan de buitenzijde die losliet, onvoldoende hechting en uitharding, onvolledige aflak en watergedragen verf die was vervuild door vermenging met terpentine.
Aan de eerste schilder liet de opdrachtgever weten dat deze ondeugdelijk werk had geleverd. De schilder toonde zich wel bereid om een kijkje te komen nemen en eventuele problemen op te lossen. Hij wilde echter ook dat de openstaande factuur zou worden betaald, evenals de resterende 31 uur uit de offerte waar de opdrachtgever voor had getekend. Die laatste wilde juist een schadevergoeding zien.
Niet geheel verrassend kwamen de partijen er met elkaar niet uit. Bij de rechter eiste de opdrachtgever bijna 7.000 euro voor alle betaalde facturen, de ingekochte verf en bijna 3.200 euro aan werkzaamheden om het gebrekkige schilderwerk te herstellen. De tegeneis van de schilder bedroeg bijna 1.900 euro voor de openstaande factuur en uren.
‘Gebreken zijn ernstig en omvangrijk’
Voor de rechter staat vast dat er een vaste aanneemsom was afgesproken en dat de overeenkomst begin 2025 met wederzijdse instemming is beëindigd. Op diezelfde dag heeft de schilder het werk ook opgeleverd. In dit geval heeft de schilder niet via een ingebrekestelling de kans gekregen het schilderwerk te herstellen, iets dat hij wel had aangeboden. Doorgaans kan dan geen schadevergoeding worden geëist. Maar de rechter vindt een uitzondering daarop mogelijk omdat ‘de gebreken in het opgeleverde schilderwerk ernstig en omvangrijk zijn’. Dat de schilder geen kans meer kreeg om nog een keer aan de slag te gaan en zijn fouten te herstellen, kan de rechter gezien de omstandigheden goed begrijpen.
Niet ontbonden maar in overleg beëindigd
Hoewel dus vast is komen te staan dat er ondeugdelijk schilderwerk is geleverd en dat de opdrachtgever daarvoor een schadevergoeding mag eisen, wordt deze niet volledig toegekend. De schilder moet wel de herstelwerkzaamheden betalen die een ander aan zijn werk heeft verricht. Voor de betaalde facturen en ingekochte verf draait de opdrachtgever echter zelf op. De aannemingsovereenkomst is namelijk niet ontbonden, maar met wederzijdse instemming beëindigd. Daarmee ontbreekt de wettelijke grond om de schilder de betaalde facturen en ingekochte verf te laten terugbetalen.
Naar betaling van de laatste factuur en de 31 resterende uren uit de offerte kan hij echter fluiten. Ook mag de schilder de 1.200 euro aan proceskosten van de opdrachtgever betalen.
