Blog

Ik werd tot twee keer toe lang vastgehouden op de beurs Monument, vorige week, in twee gesprekken met verschillende mensen over het zelfde onderwerp: schilders en monumenten.

Nu ken ik de problematiek zelf ook al. In de jury van de Nationale SchildersVaprijs moeten we regelmatig een beslissing nemen over een ingezonden project. De schilder heeft het dan zelf ingedeeld bij de afdeling ‘decoratie- en restauratieschilderwerk’. Maar wat we zien is een mooi oud pand waar een schilder heerlijk met zijn vak aan de gang is geweest: ondergrond reinigen en waar nodig herstellen, grondlagen aanbrengen en afschilderen en -lakken, vaak nog met mooi bies- of besnijwerk. Soms ook nog met een paneeltje marmer- of houtimitatie, een belettering of wat verguldwerk.

Wel een ‘restauratie’

Ja, zo’n oud gebouw ziet er dus stukken beter uit dan vóór de schilder kwam. Ja, er is houtrot hersteld, metaal beschermd, steenachtige ondergronden zijn hersteld, vaak kwam er nog een timmerman en een loodgieter aan te pas, dus van een zekere ‘restauratie’ kun je wel spreken.

Toch concluderen we dan vaak dat het hier gaat over ‘gewoon’ onderhoudsschilderwerk. Een vakman die alle aspecten van zijn vak heeft mogen toepassen, al zijn kennis van ondergronden en al zijn vaardigheden. Geweldig! Als het goed is past hij al die vaardigheden ook toe bij een rijtjeshuis uit de jaren tachtig of een nieuwbouwflat, en daarom is het dus onderhoudsschilderwerk.

Wat maakt het verschil?

Wat is dan wel monumentenschilderwerk? Er wordt op dit moment een studie over opgetuigd, een serieuze studie, waar Erkende Restauratieschilders ook hun vaklieden naartoe gaan sturen. Maar wat maakt het verschil? Aan de ene kant gaat het dan om het niveau van de vaardigheden. Want, en dat zien we bij de Nationale SchildersVakprijs maar wat vaak; de ene ‘vakman’ is de andere niet en wat de één een bolle glans noemt vindt de ander maar een dofgeslagen zootje.

Extreem

Aan de andere kant gaat het om een houding ten opzichte van een monument en kennis over de huidige trends in de restauratiewereld. Die trend is tegenwoordig: extreem documenteren en extreem terughoudend restaureren. Wat dat documenteren betreft: je moet het geduld hebben om te wachten tot alle deskundigen die de opdrachtgever maar inschakelt hun kleurentrapjes, microscopische en chemische onderzoeken gedaan hebben en geboekstaafd. Dat moet allemaal zijn tijd en zijn debatten hebben en met de ‘gewone’ vakkennis van de vakschilder heeft dat weinig te maken. Afwachten dus maar.

Riversibel of retouches

En wat dat terughoudend restaureren betreft: men is tegenwoordig dól op ‘patina’ en ‘doorleefd’ en ‘historisch’. Dus een ribbelig kozijntje effe lekker strak trekken en mooi maken zit er zelden meer in: er moet behouden blijven wat er is. En waar we vroeger ‘riversibel’ restaureerden, met een overschildering die eventueel weer te verwijderen zou moeten zijn (waar natuurlijk nooit iemand aan begint), hebben we het steeds meer over retoucheren, dus alleen plaatstelijk bijwerken en dat zó dat het er van een afstandje wel uitziet alsof het één geheel is, maar tegelijk als je dichterbij komt toch te zien is welke verfstreken er door de restaurerende schilder zijn aangebracht en welke er ouder zijn.

Daar ging het dus over, die twee gesprekken. En eigenlijk gingen ze over twee werelden die proberen elkaar te begrijpen en samen te werken. Boeiende materie. Het zou zomaar kunnen dat de discussie nog even voort zal duren…

Over Jan Maurits Schouten

Jan Maurits Schouten (1965) is getrouwd, 'heeft' twee kinderen. Studeerde aan de Hogeschool Arnhem en de Radboud Universiteit Nijmegen. Werkte voor verschillende vakbladen. Regisseerde bedrijfsfilms. Liefhebbert in de literatuur. Hoofdredacteur van SchildersVakkrant sinds 2000.

Bekijk alle berichten van Jan Maurits Schouten

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.